Ik moet er zo langzamerhand aan gewend zijn: familiefoto’s en –verhalen die binnen mijn Indische familie altijd onverwacht en gefragmenteerd gedeeld worden – op zo’n manier dat ze evenveel verhullen als dat ze onthullen. Aan mij vervolgens de taak om de puzzelstukjes in elkaar te passen.
Een berichtje van mijn vader, een paar dagen geleden. Uit het niets stuurt hij mij een foto door van zijn vader, mijn opa. Hij licht toe: “Opa. Vier jaar. Net van mijn zus gekregen.” Mijn vader heeft vandaag de respectabele leeftijd van 80 jaar mogen bereiken en de foto is een cadeau van zijn jongste zus, aan wie mijn opa zijn fotoalbums heeft nagelaten. Ik bekijk de foto nog eens goed. Ik zie een jongen ietwat schrikachtig in de camera kijken. De foto is in een fotostudio gemaakt, alles aan de foto lijkt geënsceneerd. Mijn opa is in een matrozenpakje gehesen en poseert geduldig. Hij heeft een strooien hoed op zijn hoofd en houdt, waarschijnlijk op aanwijzing van de fotograaf, in de ene hand een bloem vast en in de andere de rand van het tafeltje dat naast hem is geplaatst. Dan trekt mijn aandacht naar de dissonant in de foto: de schoenen die hij draagt. “Wat een gekke schoenen heeft hij aan, pap! Ze lijken veel te groot!” Mijn vader antwoordt: “Opa droeg nooit schoenen. Deze zijn geleend. Denk ik.” “Hoe je een foto kunt manipuleren”, voegt mijn vader er nog aan toe. ”Deze foto werd waarschijnlijk naar Nederland gestuurd.” En dan is het weer stil.

De schoenen van mijn opa, ik kijk ernaar en voel mij verdrietig worden. Mijn opa, geboren in 1911 in de garnizoensstad Magelang (Java) als de oudste zoon van een Hollandse KNIL militair en een Indische moeder. Zijn vader, mijn overgrootvader, was na de dood van zijn ouders ingetrokken bij een tante in Amsterdam. Maar toen deze hem om onbekende reden het huis uitzette en hij dakloos raakte, besloot hij om zich aan te sluiten bij het KNIL. Amper negentien jaar oud vertrok hij als soldaat naar ‘de Oost’. In Magelang kwam hij mijn overgrootmoeder tegen: een arm Indisch meisje dat reeds op jonge leeftijd de zorg voor haar vader en diens winkel overnam, nadat haar moeder overleden was. Ze trouwden en kregen acht kinderen, die ieder op een andere plek geboren werden – het gevolg van het zwervende bestaan waar mijn overgrootvader zijn gezin als militair in meetrok. Trekkend van kampement naar kampement kon er van een stabiel gezinsleven nauwelijks sprake zijn. In die eerste jaren van zijn leven groeide mijn opa op in armoede, maar ook in vrijheid. De luxe van schoenen had hij niet, net zomin als hij naar school kon gaan. Leren deed hij uit een leskist – zo het daar al van kwam. Want als ik de verhalen van mijn opa mag geloven was hij vooral veel buiten: om te banjeren, om stiekem te roken en jenever te drinken en om kwajongensstreken uit te halen. Dat mijn overgrootvader hem daar hardhandig voor strafte deerde hem niet, zo deed hij mij althans geloven.
De schoenen van mijn opa. Volgens mijn vader werd de foto gemaakt om op te sturen naar familie in Holland. Welk beeld wilde mijn overgrootvader van mijn opa meegeven? Dat hij een keurige jongen was, zoals het een kind van een koloniaal betaamt? Maar was hij dat ooit geweest?

Mijn opa, het kind dat samen met zijn broers en zussen bij zijn moeder werd weggehaald en in het kindertehuis van Pa van der Steur werd ondergebracht, nadat zijn vader op 42-jarige leeftijd kwam te overlijden – louter en alleen omdat zijn uiterlijke verschijning (een jongen met blond haar en blauwe ogen in een Indisch gelaat) een bedreiging vormde voor het voor het koloniale systeem zo cruciale onderscheid tussen kolonisator en gekoloniseerde. Mijn opa, op wie in het kindertehuis een experiment werd losgelaten, waarbij gemengde (half-)verweesde jongens als mijn opa werden opgeleid tot landbouwer, om aldus een armoedig, doch keurig en godvrezend bestaan op te bouwen. Mijn opa, die tenslotte ‘gered’ werd door een geestelijke die aan de Rozenkruizers verbonden was en die hem een beurs aanbood om in Soerabaja de middelbare technische school te doorlopen. Mijn opa, vervolgens bij mijn oma in de kost kwam en verliefd op haar werd – waarna hij tegenover zijn aanstaande schoonvader eerst negen jaar lang moest bewijzen dat hij mijn oma afdoende kon onderhouden, eer er getrouwd mocht worden. Mijn opa, opgroeiend tussen de relatieve vrijheid die hij in de leger kampementen geproefd had en alle (koloniaal geïnformeerde) verwachtingen die er vervolgens op hem losgelaten werden. Eenmaal volwassen zou hij de rest van zijn leven weigeren om zich in welk keurslijf dan ook te laten persen. En daarmee leerde hij mij een wijze les: dat niets belangrijker is dan jezelf kunnen zijn en trouw te blijven aan wie je bent.

Morgen praten wij tijdens de 2e bijeenkomst van Tracing Your Roots verder over Indische familiefoto’s. Dit doen we tijdens een gastles van prof. Em. Pamela Pattynama, die ons uitnodigt om voorbij het geportretteerde beeld naar onze familiefoto’s te kijken. Daarnaast zullen we in het licht van Allerzielen een kaarsje branden bij een meegenomen foto van een overleden voorouder. Ik heb vele voorouders die mij lief zijn, maar deze foto van mijn opa gaat in ieder geval mee!