Licht geëmotioneerd overhandigt mijn opa mij de map: “Mijn vader wilde alsnog naar Nederland komen”, zegt hij. Ik open de map vol oude documenten en stuit op een document gericht aan de Minister van Justitie. Het betreft een Staat van Inlichtingen behorend bij een visumaanvraag om naar Nederland te mogen komen. Deze is ingediend door mijn overgrootvader: een van Banda afkomstige KNIL-militair, die eind jaren ’40 na jaren oorlog en krijgsgevangenschap de mogelijkheid aan zich voorbij liet gaan om naar Nederland te vertrekken. Hij had zijn overleden vader beloofd om voor zijn moeder en zus te zorgen en stapte over naar het Indonesische leger.

De aanvraag dateert van november 1965. Ik kijk mijn opa verschrikt aan. “Dat is een maand nadat jullie in Nederland aankwamen”. Mijn opa knikt onrustig. “Dat wist ik ook niet. Nadat wij vertrokken waren, heeft hij dus ook een aanvraag ingediend. Ya Ilah”.

 

 

Ik herken de pijn. De pijn die soms boven komt drijven als het over de komst naar Nederland gaat. Mijn opa en oma kwamen als begin twintigers in oktober 1965 met twee kleine kinderen aan in Nederland. Per vliegtuig, via de Noordpool, na verschillende tussenstops in onder andere Bangkok en Tokyo. Spijtoptanten werden ze genoemd. Ze besloten een visumaanvraag voor Nederland in te dienen, toen ze merkten dat de Indonesische samenleving hen discriminatoir ging behandelen. Mijn oma had een Nederlandse moeder en ook mijn moeder kwam als relatief ‘wit blond kind’ ter wereld. Van de ene op de andere dag lieten ze hun familie en vrienden achter en vertrokken met niks richting Nederland. Alleen een zus van mijn oma en haar gezin waren hen een jaar daarvoor voorgegaan.

Mijn overgrootvader had al eerder overwogen om een visumaanvraag in te dienen voor hemzelf en zijn zoon en zijn gezin, maar hij was bang dat mijn opa zou worden afgewezen. En wat moest hij in Nederland zonder zijn kinderen en kleinkinderen? Uiteindelijk dienden mijn opa en oma apart een visumaanvraag in en zouden zonder hem richting Nederland vertrekken.

 

 

Kippenvel bekruipt me. In de Staat van Inlichtingen worden antwoorden gegeven die direct afkomstig zijn van mijn overgrootvader. Het verlangen om herenigd te worden met zijn zoon en zijn kleinkinderen is voelbaar in het document. Wat mij persoonlijk enorm raakt is dat mijn overgrootvader, als oud KNIL-militair, en mijn overgrootmoeder, als gelijkgestelde Europeaan, in het document aangeven dat zij vanwege hun westerse gerichtheid steeds meer discriminatie tegenkomen in Indonesië. Ik lees dat mijn overgrootvader dit dermate deprimeert, dat hij de toekomst voor hem en zijn gezin niet anders dan somber kan inzien. Het noodlot bepaalt dat mijn overgrootvader in mei 1966, driekwart jaar na de visumaanvraag, plotseling komt te overlijden. Hij is dan 52-jaar oud. Familieleden hebben altijd geroepen dat de heimwee naar zijn zoon en kleinkinderen hem fataal is geworden.

Ik voel me bevoorrecht met een opa en oma die beide nog in leven zijn. Zelf ben ik 32 jaar en zij nog net geen 80. Ze praten veel over het verleden, delen verhalen over hun kindertijd en over hun ouders en grootouders. Ik heb niet het gevoel dat zij bewust zwijgen over het verleden, wel dat zij veel dingen zijn vergeten – ook omdat ze zelf niet alles weten. Mijn oma werd twee weken na de doodmarteling van haar vader door de Kempeitai geboren en heeft hem nooit gekend. Haar moeder, mijn overgrootmoeder, moest hoogzwanger toezien wat er met haar man gebeurde en belandde na de geboorte van mijn oma in een kamp. Ook haar eigen vader kwam om, in dit geval in een kamp in Tjimahi. Ze zou de rest van haar leven zwijgen. Pas na mijn eigen onderzoek kwam mijn oma  te weten wat haar opa was overkomen in het kamp. Vorig jaar tijdens een reis naar Indonesië, waarin ik op zoek ging naar mijn roots, heb ik het  graf van mijn betovergrootvader bezocht op het ereveld Leuwigajah.

Het is bijzonder dat de map met documenten naar aanleiding van mijn vragen in het kader van Tracing Your Roots  tevoorschijn is gekomen. De map was vergeten, de documenten nooit gelezen. Het was te confronterend. Maar voor mij zijn ze van onschatbare waarde. Ik ben meer te weten gekomen over mijn overgrootouders, waar ze zijn geboren, wie hun ouders waren. Maar ook waar zij zich tijdens de Japanse bezetting bevonden. In welke twaalf gevangenkampen mijn overgrootvader krijgsgevangen zat. En hoe zij na de onafhankelijkheid in de Indonesische samenleving stonden.

Ik heb niet de verwachting dat ik bij mijn opa en oma nog een map ga vinden met nieuwe informatie. Maar ik hoop wel dat Tracing Your Roots mij nog meer inzicht gaat geven in mijn geschiedenis. En dat ik al mijn ontdekkingen ooit in een nieuwe map kan bewaren en kan doorgeven aan mijn dochtertje. Zodat ook zij meer over haar familie en afkomst kan lezen, dan mijn familie heeft kunnen doen.

Andrew Theunisse (32) is van Indische afkomst en doet mee aan de 3e editie van Tracing Your Roots in het Nationaal Archief in Den Haag. Zijn dochtertje is 5 maanden oud.