Het is zondag 8 maart en ik ben zit in de trein naar Nijmegen, op weg naar mijn dierbare vriendin Kemie die over een paar dagen jarig is. Vanmiddag zal ik haar trakteren op de voorstelling ‘Het Land van Toen’. Daarin vertelt Amber Nefkens het levensverhaal van haar Indische oma Erna Smith-Broers. De voorstelling is een mix van film, muziek en verteltheater. Omi, zoals Amber haar oma liefkozend noemt, heeft in haar leven vele verhalen en gedichten geschreven en sommige ervan heeft Amber nu verwerkt in haar liedjes. Daarnaast zien we in de voorstelling prachtige familiefoto’s voorbijkomen en fragmenten uit gesprekken met Omi. Tezamen vertellen zij het verhaal van een kindertijd in Semarang, de kennismaking met opa Smith, de Japanse bezetting en de Bersiap die daarop volgde, de gedwongen overtocht naar Nederland en het leven in haar geliefde Arnhem-Zuid. Omi zelf is helaas niet bij de voorstelling aanwezig, omdat ze twee dagen tevoren 99 jaar (!) is geworden en nog even moet bijkomen van het feestgedruis.

Het is donderdag 12 maart wanneer premier Rutte in een speciale televisie-uitzending het slechte nieuws brengt over het Corona virus en hoe het de komende tijd ons land zal ontwrichten. Mensen wordt aangeraden om thuis te blijven, evenementen met meer dan 100 mensen worden verboden en wie verkouden is of grieperig moet binnenblijven. Op zondag 15 maart komt daar nog het besluit bij om de scholen te sluiten. Van de ene op de andere dag zijn we middenin een serieuze crisis beland.

De afgelopen dagen gaan mijn gedachten steeds terug naar mijn eigen oma, die nu 107 zou zijn geweest. Hoe zou zij met deze crisis zijn omgegaan? Mijn oma, geboren op 31 mei 1912 in Soerabaja, was de dochter van twee Indische ouders, die weer geboren waren uit de verbintenis tussen een Nederlandse man en een Indonesische vrouw, mijn Indonesische voormoeders. In betrekkelijke luxe opgegroeid, trouwde ze met mijn opa, een jongeman van veel eenvoudiger komaf. Net als bij Omi was ook mijn oma vrij nuchter over haar partnerkeuze. Zij vonden elkaar leuk en dus trouwden ze. Op hun huwelijksdag zwoor hij haar dat hij haar levenslang financieel zou onderhouden, terwijl zij hem beloofde om voor hem en de kinderen te zorgen. En daar hadden ze zich tijdens hun 62 jaar durende huwelijk altijd aan gehouden – met uitzondering van de Japanse bezetting. Die periode bracht mijn oma zonder man en zonder inkomen buiten het kamp door. Hoewel niets haar hierop had voorbereid, accepteerde ze de situatie zoals hij was en zette haar schouders eronder. Ze trok in bij twee zussen en hun moeder. Zo was er altijd iemand in de buurt om op haar kinderen te passen wanneer ze haar zelfgemaakte lekkernijen op straat probeerde te slijten.

Na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 en het uitroepen van de Indonesische Onafhankelijkheid op 17 augustus 1945, begon de Bersiap periode. Mijn oma belandde samen met haar kinderen alsnog in een kamp – naar verluidt om hen te ’beschermen’ tegen de permuda’s (onafhankelijkheidsstrijders) en de peloppers (jeugdbendes die het gemunt hadden op een ieder die Nederlands was of met de Nederlanders had samengewerkt). Hoewel ze honger leden en gebukt gingen onder het wrede regime van wat nu hun Japanse ‘beschermers’ waren geworden, kijkt mijn vader zonder rancune terug op deze tijd, zo lijkt het. Bij zijn moeder voelde hij zich veilig en senang.

Toen na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië op 27 december 1949 duidelijk werd dat er in het nieuwe Indonesië geen plek was voor Indische Nederlanders, vluchtten mijn grootouders met achterlating van hun bezittingen naar Nederland. Hier was het wederom mijn oma die de situatie van armoede en ontworteling het hoofd bood. Ze nam werk aan bij een wasserette, om zo het schamele inkomen van mijn opa aan te vullen. Na een moeilijke start, waarin ze werden blootgesteld aan verregaande assimilatiedruk en bemoeizucht, vonden mijn grootouders hun paradijs in Schalkwijk: een zojuist opgeleverd stadsdeel in Haarlem-Zuid, bestaande uit nieuwbouwflats met veel groen en een winkelcentrum op loopafstand – een novum in die tijd. Mijn oma zou er haar gelukkigste jaren beleven – niet in de laatste plaats omdat ze elke woensdagavond haar huis en haar eten deelde met het hele trappenhuis.

Terug naar zondag 8 maart. In haar voorstelling toont Amber een foto, waarin Omi op een door bloemen overgoten balkon uitkijkt over een groen grasveld. De foto levert een feest van herkenning op: hetzelfde balkon, dezelfde bloemenpracht, hetzelfde uitzicht, hetzelfde kapsel, hetzelfde postuur en dezelfde blik.

‘Het eerste dat mij opviel aan Nederland’, laat Amber haar oma in de voorstelling memoreren, ‘was dat het gras altijd groen bleef. En groen is de kleur van hoop, dus ik wist gewoon dat het in Nederland goed zou komen!’ Dat optimisme! Mijn oma was behept met eenzelfde levensinstelling. Elk verhaal over oorlog, geweld, honger, armoede of ontworteling sloot zij steevast af met de woorden: ‘Ach ja, we hebben ons er toch heel goed doorheen geslagen’. Dit haast bezwerende optimisme, had haar door oorlog en ontheemding geloodst, maar liet in vredestijd weinig ruimte voor gevoelens van pijn of verdriet.

En dan is het donderdag 2 april. Ik betrap ik mijzelf erop dat ik de Corona crisis met eenzelfde houding tegemoet treed. Niet zozeer in het verregaande optimisme, maar wel in de buigzaamheid. Aanpassen, meebewegen en terug naar de basis, naar dat wat echt belangrijk is: goed en gezond eten, voldoende bewegen en slapen, en kijken hoe ik binnen de gestelde mogelijkheden toch een thuis kan creëren, waarin mijn kinderen zich veilig en senang voelen. Zou ik dan echt een kleindochter van mijn oma zijn?