Ik vertrek

 

 

IK VERTREK (gedicht van Jasper Albinus)

Ik vertrek vanuit het onvermogen om over mijn familiegeschiedenis te schrijven

Ik vertrek met de boot en kom aan op de Rotterdamse haven
mijn handen aan de koude reling in een koud land waar koude blikken
op mij wachten

Ik vertrek morgen, laat alles achter

Ik vertrek zonder gedag te zeggen maar echt gedag te zeggen
zoals je dat doet bij een familielid, mijn armen nog stevig om haar middel

Ik vertrek, al weet ik niet zeker of ik ooit ben aangekomen
ik verwar mijn kinderen met soldaten
de buren met mogelijke vijanden
ik vertrek naar een groter huis op de Woudenbergseweg
kijk niet naar achter

Ik vertrek als Ambonees, Javaan, mesties, Indo-Europeaan, pinda, chinees
ik weet niet hoe ik mijzelf moet noemen

Ik vertrek met de geuren van het binnenland in mijn lichaam opgeslagen
ik herinner mij de overtocht nog, voetstappen van kinderen die door de gangen dwaalden,
een zoete geur bij aankomst, de eerste jaren in veel te kleine kamers

Ik vertrek met de wildste verhalen over vroeger
het jagen met mijn broers in tropische temperaturen, hoe we in het riviertje voor jouw huis naar lélés en koetoeks zochten, de meiden in fijn geborduurde kabaja’s, de jongens in strakke uniformen en mijn vrouw die er nooit echt over heeft kunnen praten

Ik vertrek naar het ziekenhuis, kijk mijn dochter in haar ogen aan en zeg
dat ik het allemaal anders zou hebben gedaan

ik vertrek zonder vader, broer, moeder, thuis voelen is een luxe
waar ik niet langer bij stil kan staan, krijg een foto van de begrafenis uit Surabaja
door de brievenbus gestuurd, stop volledig met praten

Ik vertrek vanuit Nusa Laut en wordt gestationeerd op Java
hoop als inlander een toekomst op te bouwen en mij te bewijzen tegenover die Belanda’s
ik treed even hard op tegen mijn kinderen als tegen mijn zogeheten vijanden
ontwikkel langzaam een reputatie die mij decennia lang achterna zal blijven gaan

Ik vertrek zonder inkomsten, slechts de boottocht en opvang
die we jaren in stilte hebben moeten terugbetalen

Ik vertrek maar schiet soms nog terug naar het verleden
ik praat in mijn slaap met een vrouw die haar koffers inpakt
een sarong wegstopt die nooit meer wordt gedragen
haar kinderen vernoemt naar de familieleden die ze nooit zelf heeft kunnen begraven

Ik vertrek naar het land van herkomst, een vader met opengeslagen armen

Ik vertrek en schrijf over een gezin van hardwerkende lichamen
ik plaats mijn poëzie op alle open wonden
in de hoop hun namen een plek in de geschiedenis te geven
ik schets de contouren van een identiteit die overal en nergens te vinden is

Ik vertrek maar zal nooit de volledig de eindbestemming bereiken
het was eenmaal zo, zou mijn vader zeggen, we vertrokken en zijn hier aangekomen